JBTh Hugenholtz (1796-1871), predikant in Neuenhaus
Mijn bet-bet-overgrootouders (generatie 6): JBTh Hugenholtz (1796-1871), predikant in Neuenhaus en Aleida Hana (1798-1834)
Inleiding
Johannes Bernardus Theodorus (JBTh) Hugenholtz (1796–1871) was predikant in het Nederlands-gereformeerde milieu van de Graafschap Bentheim en Drenthe. Hij werkte in een grensregio waar kerkelijk, taalkundig en politiek veel in beweging was. Voor de Hugenholtz-familie is hij belangrijk als schakel tussen de oudere Bentheimse predikantengeslachten en latere generaties predikanten, ondernemers en intellectuelen. [1]
⸻
1. Jeugd en afkomst (1796–1813)
JBTh Hugenholtz werd op 19-07-1796 geboren in Emlichheim, toen deel van de Graafschap Bentheim, als zoon van predikant Henricus Stephanus Hugenholtz (1762–1842) en Hendrina Keller (1758–1830), afkomstig uit Neuenhaus. [2] De familie maakte deel uit van een predikantendynastie die al sinds de 18e eeuw in Bentheim en omliggende Nederlandse gemeenten actief was. [3]
Tijdens zijn jeugd maakte het gebied een aantal politieke overgangsfasen door. De Graafschap Bentheim was in 1810 ingelijfd bij het Franse Keizerrijk en werd na 1813 ondergebracht bij het Koninkrijk Hannover, een status die in 1815 door het Congres van Wenen werd bevestigd. [4] Kerkelijk bleef de regio echter sterk op de Republiek/Nederland georiënteerd: de gereformeerde gemeenten gebruikten overwegend het Nederlands in prediking en kerkelijke administratie. [5]
In dit tweetalige, grensoverschrijdende milieu groeide JBTh op met zowel een Duitse als een Nederlandse context. Zijn vader diende achtereenvolgens in Emlichheim en Veldhausen en stond bekend als onderdeel van een netwerk van Bentheimse en Drentse predikantenfamilies. [3]
⸻
2. Opleiding en eerste ambten (1813–1821)
Vanaf 1813 studeerde JBTh Hugenholtz theologie aan de Lingener Academie. [1] Deze instelling fungeerde als opleidingscentrum voor predikanten in de regio Bentheim en aangrenzende gebieden, met sterke banden met de Nederlandse gereformeerde traditie. [5]
In 1816 werd hij benoemd tot adjunct-predikant in Neuenhaus, om de hoogbejaarde Pastor Staverman (ongeveer 80 jaar) en diens collega Schotsmann bij te staan. [1] Neuenhaus was een kleine, overwegend gereformeerde stadsgemeente waar Nederlands de gebruikelijke kerktaal was, ondanks het feit dat het gebied inmiddels onder Hannover viel. [5]
In 1819 ontving JBTh een beroep naar de Hervormde Gemeente van Coevorden, in de provincie Drenthe. Op 06-06-1819 werd hij daar bevestigd als predikant, in aanwezigheid van en door zijn vader, die op dat moment predikant in Veldhausen was. [1],[6] Coevorden was een oude vestingstad met een belangrijke regionale rol; de hervormde kerk was één van de eerste specifiek protestantse kerkgebouwen in Drenthe. [7]
Nog in 1819 trad hij in het huwelijk met Aleida Hana (1798–1834), afkomstig uit Neuenhaus. Het huwelijk werd op 11-06-1819 in Veldhausen gesloten, waar zijn vader toen predikant was. [2]
De Coevorder periode duurde slechts kort. Reeds in 1821 ging JBTh “wegens ziekte” met emeritaat; de formulering in de bronnen spreekt over “de zwakheid van zijn geestvermogens”. [1],[6] Deze terminologie werd in de 19e eeuw gebruikt voor uiteenlopende psychische en neurologische aandoeningen en hoeft niet één specifieke diagnose te betekenen. [vermoeden]
⸻
3. Huwelijk, gezin en Emlichheim (1821–1836)
Na zijn vervroegde emeritaatsverlening vestigde JBTh zich met zijn gezin in Veldhausen. Daar werden hun vier kinderen geboren:
1. Henricus Stephanus Johannes (1820–1865), later predikant, onder meer in Emmen.
2. Johanna Hendrica (1822–1857), gehuwd met Leonard van Nes (1826–1884), predikant in Uelsen.
3. Gerhard Willem Karel (1826–1893), predikant in opleiding, later lekenprediker en zakenman.
4. Wilhelmina Berendina (1830–1847), die op jonge leeftijd overleed. [1]
De jaren na 1821 vormen een relatief stille fase in zijn leven, met een focus op herstel en gezin. Over zijn feitelijke werkzaamheden in Veldhausen is weinig concreets bekend; [vermoeden] ligt het voor de hand dat hij incidenteel bleef voorgaan en catechese gaf, gebruikmakend van zijn opleiding en ervaring. De familie leefde in een netwerk van gereformeerde predikanten in Veldhausen, Emlichheim, Uelsen en omliggende plaatsen. [3],[5]
In de zomer van 1834 overleed Aleida Hana. [1],[2] De exacte overlijdensdatum berust op genealogische reconstructies, geen rechtstreeks geraadpleegde akte. [vermoeden] In de herfst van dat jaar nam JBTh een beroep aan naar Emlichheim. Dat betekende zijn terugkeer als actief predikant in de regio waar hij was geboren en waar zijn familie al generaties lang voorgangers had geleverd. [1],[3]
Deze keuze viel in een roerige kerkelijke periode. De Afscheiding van 1834 in Nederland, waarbij groepen zich losmaakten van de Hervormde Kerk, had ook invloed op de grensgebieden. In Bentheim werd nauwlettend gevolgd wat in Drenthe en Overijssel gebeurde, al bleven de plaatselijke gereformeerde gemeenten in Emlichheim en Neuenhaus formeel bij de gevestigde kerk. [vermoeden][5]
⸻
4. Predikant in Neuenhaus: taalstrijd en gezondheid (1836–1864)
Toen in 1835 in Neuenhaus Pastor Eberhard Sikkens overleed, kwam de eerste predikantsplaats vrij. Pastor Slingenberg schoof door naar de eerste plaats; de kerkenraad stelde een lijst op met twaalf kandidaten voor de tweede predikantsplaats, met JBTh Hugenholtz bovenaan. Onder de overige kandidaten waren vijf geboren Neuenhausers. [1]
Hoewel de kerkenraad hem als eerste keuze aanwees, wees JBTh het beroep aanvankelijk af. Pas toen het traktement aanzienlijk werd verhoogd (met 800 gulden per jaar, mede bekostigd uit het zogeheten “kussengeld” voor zitplaatsen in de kerk) en hem een pensioen van 200 gulden werd toegezegd voor het geval zijn gezondheid opnieuw zou falen, ging hij op het voorstel in. Ook werd afgesproken dat hij een aantal belastende neventaken niet hoefde te vervullen. [1]
Vanaf 1836 was hij predikant in Neuenhaus. [1] De gemeente bevond zich in een gebied dat na 1815 definitief tot het Koninkrijk Hannover behoorde. [4] Tegelijkertijd bleef het kerkelijk leven sterk op Nederland georiënteerd: de meeste hervormde predikanten waren in Nederland of aan Nederland geaffilieerde instellingen opgeleid, en de diensten werden tot ver in de 19e eeuw grotendeels in het Nederlands gehouden. [5]
In dit kader kreeg JBTh te maken met de “verduitsing” van kerk en onderwijs. De regering in Hannover stimuleerde het gebruik van Hoogduits in preek en catechese, als instrument van nationale integratie. In Neuenhaus bleef de kerkenraad aarzelen: men benadrukte dat de oudere gemeenteleden geen Duitse preken konden volgen en dat de overgang geleidelijk moest verlopen. [1],[5]
De schoolinspecteur Fokke stichtte in 1851 in Neuenhaus een opleidingsinstituut voor plattelandsleraren, om deze leraren op termijn in staat te stellen in het Hoogduits les te geven. In 1853 werden voorgedrukte kerkboeken ingevoerd om de Duitse taal verder te bevorderen, al bleven de kerkenraadsnotulen voorlopig in het Nederlands. De overheid lokte predikanten en leraren met taalbonussen wanneer zij Duits gebruikten. [1]
Een vaak aangehaalde anekdote betreft het bezoek van koning George V van Hannover aan Neuenhaus op 02-09-1862. Ondanks de instructies om de vorst in het Duits te begroeten, richtte JBTh zich volgens de overlevering in het Nederlands tot de koning, die er vermoedelijk weinig van begreep. [1],[5] De anekdote illustreert de hardnekkigheid waarmee in Neuenhaus aan het Nederlands als kerktaal werd vastgehouden.
Tegelijk verslechterde zijn gezondheid opnieuw. De kerkenraadsnotulen tonen dat hij in de latere jaren steeds vaker afwezig was; vergaderingen werden geleid en ondertekend door collega Slingenberg. [1] Rond 1858 werd onderhandeld over zijn aftreden; de gemeente vroeg hem echter aan te blijven zolang zijn krachten het toelieten. [1]
Na het overlijden van Pastor Slingenberg in november 1863 werd een hulppredikant gezocht. Toen bleek dat JBTh de dienst feitelijk niet meer zelfstandig kon dragen. Op 01-07-1864 ging hij definitief met emeritaat; de emeritaatsakte draagt een opvallend trillend handschrift, passend bij de beschrijving van zijn zwakke gezondheid. [1]
⸻
5. Laatste jaren en overlijden (1864–1871)
De jaren na 1864 bracht JBTh als emeritus-predikant in Neuenhaus door. De pastorie die hij lang had bewoond, werd later verbouwd tot een winkelpand, maar fungeerde in zijn tijd als een centrum van predikanten- en familiebezoek over en weer tussen Bentheim en Nederland. [1],[5]
In deze periode groeiden zijn kinderen uit tot zelfstandige volwassenen. Zijn oudste zoon, Henricus Stephanus Johannes, werd predikant in onder meer Bentheim, Veldhausen, Zwolle en Emmen en trouwde met een vrouw uit Neuenhaus (familie Weber). [1],[10] Zijn zoon Gerhard Willem Karel, die aanvankelijk eveneens theologie studeerde, vond zijn weg als lekenprediker en later als koopman en handelsreiziger. Via hem stammen veel Nederlandse nakomelingen af. [1]
Latere bronnen – onder meer herinneringen van zijn kleinzoon J.B.Th. Hugenholtz (1859–1922) – schetsen hem als een wat praatzieke, bemoeizuchtige maar ook betrokken grootvader, die in Neuenhaus een opvallende figuur was. [vermoeden][8] Een door hem vervaardigde tekening met de tekst “Roemt den grootheid van de Schepper; In ’t heelal ten toon gespreid” toont zijn vroomheid en gevoel voor beeldende expressie. [1]
Johannes Bernardus Theodorus Hugenholtz overleed op 09-07-1871 in Neuenhaus, 74 jaar oud. [1],[2] Zijn overlijden markeert het einde van een lange predikantsloopbaan, onderbroken door ziekte maar steeds verbonden met hetzelfde grensgebied tussen Drenthe en de Graafschap Bentheim.
⸻
Context en betekenis
Het leven van JBTh Hugenholtz weerspiegelt de bijzondere positie van de gereformeerde gemeenten in de Graafschap Bentheim in de 19e eeuw: politiek behorend tot Hannover, maar kerkelijk en cultureel sterk op Nederland georiënteerd. [4],[5] De overgang van Nederlandse naar Duitse kerktalen, de rol van de Lingener Academie en de voortdurende contacten met Drentse gemeenten (zoals Coevorden en Emmen) vormen de achtergrond waartegen zijn loopbaan begrepen moet worden. [5],[6]
Zijn vroege emeritaat in Coevorden en later opnieuw terugkerende gezondheidsproblemen laten zien dat predikantschap in deze tijd fysiek en psychisch veeleisend kon zijn. Tegelijk wijst zijn herhaalde terugkeer in actieve dienst op een sterk plichtsbesef, zowel tegenover de gemeente als tegenover de familie-traditie van predikantschappen. [1],[3]
⸻
Karakter en nalatenschap
Bronnen met directe karakterbeschrijvingen zijn schaars. Zijn eigen tekening met een lofprijzing op de Schepper wijst op een piëtistisch-gereformeerde inslag, waarin natuur en schepping een belangrijke rol speelden in de geloofsbeleving. [1] De anekdote over zijn Nederlandse toespraak tot de koning suggereert een zekere vasthoudendheid, mogelijk ook koppigheid, in taal- en identiteitskwesties. [1],[5]
In familieherinneringen wordt hij – via zijn kleinzoon – getypeerd als een spraakzame en soms lastige grootvader, wat kan duiden op een sterke aanwezigheid in het familie- en dorpsleven. [vermoeden][8] Zijn betekenis ligt bovendien in de wijze waarop hij de predikantenlijn van de Bentheimse Hugenholtz-tak voortzette én verbond met een nieuwe generatie, waarin theologie, handel en maatschappelijke betrokkenheid samenkwamen. [1],[3]
Voor de bredere gemeenschap van Neuenhaus stond hij symbool voor een generatie predikanten die de overgang begeleidde van een overwegend Nederlandstalige, naar een geleidelijk Duitstalige kerk, zonder dat de band met de Nederlandse gereformeerde traditie volledig werd losgelaten. [5]
⸻
Onzekerheden
• De formulering “zwakheid van zijn geestvermogens” laat ruimte voor verschillende medische interpretaties; over een concrete diagnose is niets met zekerheid te zeggen. [1]
• De exacte overlijdensdatum van Aleida Hana (1834) is gebaseerd op secundaire genealogische reconstructies en zou idealiter in de originele overlijdens- of begraafregisters van Neuenhaus moeten worden gecontroleerd. [2]
• Over zijn feitelijke werkzaamheden tussen zijn emeritaat in 1821 en zijn beroep naar Emlichheim in 1834 zijn geen directe bronnen aangetroffen; de veronderstelde pastorale activiteiten in Veldhausen zijn daarom als [vermoeden] aangeduid.
• De karakterisering door zijn kleinzoon berust op latere herinneringen en kan gekleurd zijn door persoonlijke inkleuring. [8]
⸻
Eindnoten
[1] Hugenholtz family website, “G6: JBTh Hugenholtz (1796–1871), predikant in Neuenhaus en Aleida Hana (1798–1834)”.
[2] Genealogie Online, “Ds. Johannes Bernardus Theodorus Hugenholtz (1796–1871), Family tree Knijpinga Cramer”.
[3] Hugenholtz family website, “Parenteel van Peter Hugenholdt (1610–1693)” en samenvattende genealogische notities over de Bentheimse predikanten-tak.
[4] Wikipedia, “Graafschap Bentheim” – politieke geschiedenis en inlijving bij Hannover na 1813/1815.
[5] Altreformierte Kirche / regionale literatuur over “Drenthe en de Grafschaft Bentheim” (grenskerken, taalgebruik Nederlands/Hoogduits, anekdote George V en Neuenhaus).
[6] Dominees.nl, “Coevorden Hervormde Gemeente” – predikantenlijst met intrede (06-06-1819) en emeritaat (08-05-1821) van ds. J.B.T. Hugenholtz.
[7] Kerkfotografie / Geschiedenis Coevorden – beschrijving Nederlands Hervormde Kerk Coevorden als vroeg protestants kerkgebouw in Drenthe.
[8] De Vrije Fries 57 (1977) – citaat en karakterisering van “Hugenholtz jr.” over zijn grootvader als praatziek, lastig oudje (indirecte familiebron).
[9] Egbert Schoenmaker, “Neuenhaus reformierte Kirche – Quellhorst-orgel” – visuele en praktische context van het 19e-eeuwse kerkinterieur waar Hugenholtz preekte.
[10] Kroniek Historische Vereniging Zuid-Oost Drenthe, artikel over de hervormde gemeente Emmen en predikant H.S.J. Hugenholtz, met verwijzing naar zijn intrede en houding tegenover het oude kerkgebouw.
⸻
In de familiegeschiedenis markeert JBTh Hugenholtz de overgang van een sterk kerkelijk georiënteerde predikantenfamilie naar een bredere, sociaal en economisch diverse nakomelingschap, geworteld in het grensgebied tussen Nederland en Duitsland.
Johannes Bernardus Theodorus (JBTh) Hugenholtz (1796–1871) was predikant in het Nederlands-gereformeerde milieu van de Graafschap Bentheim en Drenthe. Hij werkte in een grensregio waar kerkelijk, taalkundig en politiek veel in beweging was. Voor de Hugenholtz-familie is hij belangrijk als schakel tussen de oudere Bentheimse predikantengeslachten en latere generaties predikanten, ondernemers en intellectuelen. [1]
⸻
1. Jeugd en afkomst (1796–1813)
JBTh Hugenholtz werd op 19-07-1796 geboren in Emlichheim, toen deel van de Graafschap Bentheim, als zoon van predikant Henricus Stephanus Hugenholtz (1762–1842) en Hendrina Keller (1758–1830), afkomstig uit Neuenhaus. [2] De familie maakte deel uit van een predikantendynastie die al sinds de 18e eeuw in Bentheim en omliggende Nederlandse gemeenten actief was. [3]
Tijdens zijn jeugd maakte het gebied een aantal politieke overgangsfasen door. De Graafschap Bentheim was in 1810 ingelijfd bij het Franse Keizerrijk en werd na 1813 ondergebracht bij het Koninkrijk Hannover, een status die in 1815 door het Congres van Wenen werd bevestigd. [4] Kerkelijk bleef de regio echter sterk op de Republiek/Nederland georiënteerd: de gereformeerde gemeenten gebruikten overwegend het Nederlands in prediking en kerkelijke administratie. [5]
In dit tweetalige, grensoverschrijdende milieu groeide JBTh op met zowel een Duitse als een Nederlandse context. Zijn vader diende achtereenvolgens in Emlichheim en Veldhausen en stond bekend als onderdeel van een netwerk van Bentheimse en Drentse predikantenfamilies. [3]
⸻
2. Opleiding en eerste ambten (1813–1821)
Vanaf 1813 studeerde JBTh Hugenholtz theologie aan de Lingener Academie. [1] Deze instelling fungeerde als opleidingscentrum voor predikanten in de regio Bentheim en aangrenzende gebieden, met sterke banden met de Nederlandse gereformeerde traditie. [5]
In 1816 werd hij benoemd tot adjunct-predikant in Neuenhaus, om de hoogbejaarde Pastor Staverman (ongeveer 80 jaar) en diens collega Schotsmann bij te staan. [1] Neuenhaus was een kleine, overwegend gereformeerde stadsgemeente waar Nederlands de gebruikelijke kerktaal was, ondanks het feit dat het gebied inmiddels onder Hannover viel. [5]
In 1819 ontving JBTh een beroep naar de Hervormde Gemeente van Coevorden, in de provincie Drenthe. Op 06-06-1819 werd hij daar bevestigd als predikant, in aanwezigheid van en door zijn vader, die op dat moment predikant in Veldhausen was. [1],[6] Coevorden was een oude vestingstad met een belangrijke regionale rol; de hervormde kerk was één van de eerste specifiek protestantse kerkgebouwen in Drenthe. [7]
Nog in 1819 trad hij in het huwelijk met Aleida Hana (1798–1834), afkomstig uit Neuenhaus. Het huwelijk werd op 11-06-1819 in Veldhausen gesloten, waar zijn vader toen predikant was. [2]
De Coevorder periode duurde slechts kort. Reeds in 1821 ging JBTh “wegens ziekte” met emeritaat; de formulering in de bronnen spreekt over “de zwakheid van zijn geestvermogens”. [1],[6] Deze terminologie werd in de 19e eeuw gebruikt voor uiteenlopende psychische en neurologische aandoeningen en hoeft niet één specifieke diagnose te betekenen. [vermoeden]
⸻
3. Huwelijk, gezin en Emlichheim (1821–1836)
Na zijn vervroegde emeritaatsverlening vestigde JBTh zich met zijn gezin in Veldhausen. Daar werden hun vier kinderen geboren:
1. Henricus Stephanus Johannes (1820–1865), later predikant, onder meer in Emmen.
2. Johanna Hendrica (1822–1857), gehuwd met Leonard van Nes (1826–1884), predikant in Uelsen.
3. Gerhard Willem Karel (1826–1893), predikant in opleiding, later lekenprediker en zakenman.
4. Wilhelmina Berendina (1830–1847), die op jonge leeftijd overleed. [1]
De jaren na 1821 vormen een relatief stille fase in zijn leven, met een focus op herstel en gezin. Over zijn feitelijke werkzaamheden in Veldhausen is weinig concreets bekend; [vermoeden] ligt het voor de hand dat hij incidenteel bleef voorgaan en catechese gaf, gebruikmakend van zijn opleiding en ervaring. De familie leefde in een netwerk van gereformeerde predikanten in Veldhausen, Emlichheim, Uelsen en omliggende plaatsen. [3],[5]
In de zomer van 1834 overleed Aleida Hana. [1],[2] De exacte overlijdensdatum berust op genealogische reconstructies, geen rechtstreeks geraadpleegde akte. [vermoeden] In de herfst van dat jaar nam JBTh een beroep aan naar Emlichheim. Dat betekende zijn terugkeer als actief predikant in de regio waar hij was geboren en waar zijn familie al generaties lang voorgangers had geleverd. [1],[3]
Deze keuze viel in een roerige kerkelijke periode. De Afscheiding van 1834 in Nederland, waarbij groepen zich losmaakten van de Hervormde Kerk, had ook invloed op de grensgebieden. In Bentheim werd nauwlettend gevolgd wat in Drenthe en Overijssel gebeurde, al bleven de plaatselijke gereformeerde gemeenten in Emlichheim en Neuenhaus formeel bij de gevestigde kerk. [vermoeden][5]
⸻
4. Predikant in Neuenhaus: taalstrijd en gezondheid (1836–1864)
Toen in 1835 in Neuenhaus Pastor Eberhard Sikkens overleed, kwam de eerste predikantsplaats vrij. Pastor Slingenberg schoof door naar de eerste plaats; de kerkenraad stelde een lijst op met twaalf kandidaten voor de tweede predikantsplaats, met JBTh Hugenholtz bovenaan. Onder de overige kandidaten waren vijf geboren Neuenhausers. [1]
Hoewel de kerkenraad hem als eerste keuze aanwees, wees JBTh het beroep aanvankelijk af. Pas toen het traktement aanzienlijk werd verhoogd (met 800 gulden per jaar, mede bekostigd uit het zogeheten “kussengeld” voor zitplaatsen in de kerk) en hem een pensioen van 200 gulden werd toegezegd voor het geval zijn gezondheid opnieuw zou falen, ging hij op het voorstel in. Ook werd afgesproken dat hij een aantal belastende neventaken niet hoefde te vervullen. [1]
Vanaf 1836 was hij predikant in Neuenhaus. [1] De gemeente bevond zich in een gebied dat na 1815 definitief tot het Koninkrijk Hannover behoorde. [4] Tegelijkertijd bleef het kerkelijk leven sterk op Nederland georiënteerd: de meeste hervormde predikanten waren in Nederland of aan Nederland geaffilieerde instellingen opgeleid, en de diensten werden tot ver in de 19e eeuw grotendeels in het Nederlands gehouden. [5]
In dit kader kreeg JBTh te maken met de “verduitsing” van kerk en onderwijs. De regering in Hannover stimuleerde het gebruik van Hoogduits in preek en catechese, als instrument van nationale integratie. In Neuenhaus bleef de kerkenraad aarzelen: men benadrukte dat de oudere gemeenteleden geen Duitse preken konden volgen en dat de overgang geleidelijk moest verlopen. [1],[5]
De schoolinspecteur Fokke stichtte in 1851 in Neuenhaus een opleidingsinstituut voor plattelandsleraren, om deze leraren op termijn in staat te stellen in het Hoogduits les te geven. In 1853 werden voorgedrukte kerkboeken ingevoerd om de Duitse taal verder te bevorderen, al bleven de kerkenraadsnotulen voorlopig in het Nederlands. De overheid lokte predikanten en leraren met taalbonussen wanneer zij Duits gebruikten. [1]
Een vaak aangehaalde anekdote betreft het bezoek van koning George V van Hannover aan Neuenhaus op 02-09-1862. Ondanks de instructies om de vorst in het Duits te begroeten, richtte JBTh zich volgens de overlevering in het Nederlands tot de koning, die er vermoedelijk weinig van begreep. [1],[5] De anekdote illustreert de hardnekkigheid waarmee in Neuenhaus aan het Nederlands als kerktaal werd vastgehouden.
Tegelijk verslechterde zijn gezondheid opnieuw. De kerkenraadsnotulen tonen dat hij in de latere jaren steeds vaker afwezig was; vergaderingen werden geleid en ondertekend door collega Slingenberg. [1] Rond 1858 werd onderhandeld over zijn aftreden; de gemeente vroeg hem echter aan te blijven zolang zijn krachten het toelieten. [1]
Na het overlijden van Pastor Slingenberg in november 1863 werd een hulppredikant gezocht. Toen bleek dat JBTh de dienst feitelijk niet meer zelfstandig kon dragen. Op 01-07-1864 ging hij definitief met emeritaat; de emeritaatsakte draagt een opvallend trillend handschrift, passend bij de beschrijving van zijn zwakke gezondheid. [1]
⸻
5. Laatste jaren en overlijden (1864–1871)
De jaren na 1864 bracht JBTh als emeritus-predikant in Neuenhaus door. De pastorie die hij lang had bewoond, werd later verbouwd tot een winkelpand, maar fungeerde in zijn tijd als een centrum van predikanten- en familiebezoek over en weer tussen Bentheim en Nederland. [1],[5]
In deze periode groeiden zijn kinderen uit tot zelfstandige volwassenen. Zijn oudste zoon, Henricus Stephanus Johannes, werd predikant in onder meer Bentheim, Veldhausen, Zwolle en Emmen en trouwde met een vrouw uit Neuenhaus (familie Weber). [1],[10] Zijn zoon Gerhard Willem Karel, die aanvankelijk eveneens theologie studeerde, vond zijn weg als lekenprediker en later als koopman en handelsreiziger. Via hem stammen veel Nederlandse nakomelingen af. [1]
Latere bronnen – onder meer herinneringen van zijn kleinzoon J.B.Th. Hugenholtz (1859–1922) – schetsen hem als een wat praatzieke, bemoeizuchtige maar ook betrokken grootvader, die in Neuenhaus een opvallende figuur was. [vermoeden][8] Een door hem vervaardigde tekening met de tekst “Roemt den grootheid van de Schepper; In ’t heelal ten toon gespreid” toont zijn vroomheid en gevoel voor beeldende expressie. [1]
Johannes Bernardus Theodorus Hugenholtz overleed op 09-07-1871 in Neuenhaus, 74 jaar oud. [1],[2] Zijn overlijden markeert het einde van een lange predikantsloopbaan, onderbroken door ziekte maar steeds verbonden met hetzelfde grensgebied tussen Drenthe en de Graafschap Bentheim.
⸻
Context en betekenis
Het leven van JBTh Hugenholtz weerspiegelt de bijzondere positie van de gereformeerde gemeenten in de Graafschap Bentheim in de 19e eeuw: politiek behorend tot Hannover, maar kerkelijk en cultureel sterk op Nederland georiënteerd. [4],[5] De overgang van Nederlandse naar Duitse kerktalen, de rol van de Lingener Academie en de voortdurende contacten met Drentse gemeenten (zoals Coevorden en Emmen) vormen de achtergrond waartegen zijn loopbaan begrepen moet worden. [5],[6]
Zijn vroege emeritaat in Coevorden en later opnieuw terugkerende gezondheidsproblemen laten zien dat predikantschap in deze tijd fysiek en psychisch veeleisend kon zijn. Tegelijk wijst zijn herhaalde terugkeer in actieve dienst op een sterk plichtsbesef, zowel tegenover de gemeente als tegenover de familie-traditie van predikantschappen. [1],[3]
⸻
Karakter en nalatenschap
Bronnen met directe karakterbeschrijvingen zijn schaars. Zijn eigen tekening met een lofprijzing op de Schepper wijst op een piëtistisch-gereformeerde inslag, waarin natuur en schepping een belangrijke rol speelden in de geloofsbeleving. [1] De anekdote over zijn Nederlandse toespraak tot de koning suggereert een zekere vasthoudendheid, mogelijk ook koppigheid, in taal- en identiteitskwesties. [1],[5]
In familieherinneringen wordt hij – via zijn kleinzoon – getypeerd als een spraakzame en soms lastige grootvader, wat kan duiden op een sterke aanwezigheid in het familie- en dorpsleven. [vermoeden][8] Zijn betekenis ligt bovendien in de wijze waarop hij de predikantenlijn van de Bentheimse Hugenholtz-tak voortzette én verbond met een nieuwe generatie, waarin theologie, handel en maatschappelijke betrokkenheid samenkwamen. [1],[3]
Voor de bredere gemeenschap van Neuenhaus stond hij symbool voor een generatie predikanten die de overgang begeleidde van een overwegend Nederlandstalige, naar een geleidelijk Duitstalige kerk, zonder dat de band met de Nederlandse gereformeerde traditie volledig werd losgelaten. [5]
⸻
Onzekerheden
• De formulering “zwakheid van zijn geestvermogens” laat ruimte voor verschillende medische interpretaties; over een concrete diagnose is niets met zekerheid te zeggen. [1]
• De exacte overlijdensdatum van Aleida Hana (1834) is gebaseerd op secundaire genealogische reconstructies en zou idealiter in de originele overlijdens- of begraafregisters van Neuenhaus moeten worden gecontroleerd. [2]
• Over zijn feitelijke werkzaamheden tussen zijn emeritaat in 1821 en zijn beroep naar Emlichheim in 1834 zijn geen directe bronnen aangetroffen; de veronderstelde pastorale activiteiten in Veldhausen zijn daarom als [vermoeden] aangeduid.
• De karakterisering door zijn kleinzoon berust op latere herinneringen en kan gekleurd zijn door persoonlijke inkleuring. [8]
⸻
Eindnoten
[1] Hugenholtz family website, “G6: JBTh Hugenholtz (1796–1871), predikant in Neuenhaus en Aleida Hana (1798–1834)”.
[2] Genealogie Online, “Ds. Johannes Bernardus Theodorus Hugenholtz (1796–1871), Family tree Knijpinga Cramer”.
[3] Hugenholtz family website, “Parenteel van Peter Hugenholdt (1610–1693)” en samenvattende genealogische notities over de Bentheimse predikanten-tak.
[4] Wikipedia, “Graafschap Bentheim” – politieke geschiedenis en inlijving bij Hannover na 1813/1815.
[5] Altreformierte Kirche / regionale literatuur over “Drenthe en de Grafschaft Bentheim” (grenskerken, taalgebruik Nederlands/Hoogduits, anekdote George V en Neuenhaus).
[6] Dominees.nl, “Coevorden Hervormde Gemeente” – predikantenlijst met intrede (06-06-1819) en emeritaat (08-05-1821) van ds. J.B.T. Hugenholtz.
[7] Kerkfotografie / Geschiedenis Coevorden – beschrijving Nederlands Hervormde Kerk Coevorden als vroeg protestants kerkgebouw in Drenthe.
[8] De Vrije Fries 57 (1977) – citaat en karakterisering van “Hugenholtz jr.” over zijn grootvader als praatziek, lastig oudje (indirecte familiebron).
[9] Egbert Schoenmaker, “Neuenhaus reformierte Kirche – Quellhorst-orgel” – visuele en praktische context van het 19e-eeuwse kerkinterieur waar Hugenholtz preekte.
[10] Kroniek Historische Vereniging Zuid-Oost Drenthe, artikel over de hervormde gemeente Emmen en predikant H.S.J. Hugenholtz, met verwijzing naar zijn intrede en houding tegenover het oude kerkgebouw.
⸻
In de familiegeschiedenis markeert JBTh Hugenholtz de overgang van een sterk kerkelijk georiënteerde predikantenfamilie naar een bredere, sociaal en economisch diverse nakomelingschap, geworteld in het grensgebied tussen Nederland en Duitsland.